In mijn vorige postje beloofde ik om het commentaar van mijn klasgenoten en de juf op mijn eerste huiswerkje hier te vermelden. Het is al even geleden en nu pas kom ik daar aan toe. Er heeft nogal wat plaatsgevonden in de tussentijd.
De plot werd goed ontvangen. ‘Mooi gegeven’ stond er op het blaadje dat ik terug kreeg van Nicolien. Echter. De uitwerking kon beter. Wat was het geval? Voor sommigen was de hoofdpersoon onduidelijk. Was dat Gerard of was dat Yoruba? En wat wilde ik eigenlijk beweren met mijn verhaal? Wat was de premisse? Hoewel het in mijn hoofd best duidelijk was bleek dat niet voor iedereen te gelden. Ook de stijlovergang midden in de tekst van ‘zakelijk’ naar ‘anders’ was een opvallend gegeven voor de klas zonder dat de bedoeling ervan duidelijk werd. Back to the drawingboard dus maar.
We kregen een nieuwe opdracht en die heb ik inmiddels naar iedereen heb opgestuurd. Het ging om een uitgebreide personagebeschrijving en de eerste pagina van een verhaal over het beschreven personage. Onderstaand het resultaat. Ik heb geprobeerd de aanwijzingen uit de vorige les te verwerken en ben daarom benieuwd welke feedback ik morgen ga krijgen. Spannend! Stiekem heb ik al verder geschreven aan het verhaal. Het vervolg zal ik hier dinsdag vermelden.
Personagebeschrijving Mien van Astel-Appelman
Mien is 68 jaar en 1 meter 64 lang. Ze is een stevige vrouw, met flinke rondingen. Haar postuur is ondanks haar gewicht redelijk in verhouding, alleen haar heupen zijn iets breder dan haar borsten. Mien draagt meestal een nette donkere pantalon met daarop een gekleurde blouse met korte mouwen. Liefst met een bloem- of vogelmotief. Als het wat kouder is draagt ze daar een warm vest op. Mien vindt het prettig wanneer haar sokken kleuren bij haar blouse en haar vest kleurt bij haar pantalon. Het afstemmen van haar kleding geeft haar een aangenaam gevoel. Dat had ze als kind al. Mien heeft kort peper-en-zout kleurig krullend haar. Die krullen zet ze er elke week, op vrijdag, met de rollers zelf in. Mien heeft ondanks haar leeftijd weinig fysieke ongemakken. Ze heeft een stevig gestel en een goede gezondheid. Als ze lange tijd achter elkaar in de tuin werkt krijgt ze last van haar rug en haar knieën. Haar polsen en vingers worden wat stram en gevoelig wanneer de temperatuur daalt. Mien heeft een trotse houding. Ze staat en zit meestal keurig rechtop en kijkt dan met een dwingende blik de wereld in.
Mien is weduwe van Piet, die tot aan zijn pre-pensioen postbode was. Mien heeft nooit gewerkt dus van haar pensionering was geen sprake. Ze deed het huishouden en zorgde voor de kinderen (twee zonen en een dochter) maar heeft dat nooit als werk gezien. Toen Piet, zes jaar geleden overleed, nam haar leven een onverwachte wending. Ze had nooit stil gestaan bij de mogelijkheid alleen achter te blijven dus het plotse verlies van Piet heeft haar lange tijd verlamd. Tot ze op een dag besloot dat ze genoeg had getreurd. Ze verkocht het huis en verhuisde naar Zoetermeer om daar naast haar zus te gaan wonen. Mien heeft een paar hobby’s; ze vult haar tijd met tuinieren, puzzelen, haken en het verzamelen van porseleinen beeldjes. Ze heeft twee goede vriendinnen. Haar kinderen ziet zij minder dan ze zou willen. Vooral de jongens zijn erg met zichzelf bezig. Haar dochter belt haar wel geregeld.
Mien heet eigenlijk helemaal geen Mien. Ze werd geboren als Maria Hendrika van Astel, maar de geboorte van haar zus veroorzaakte een aardverschuiving in het gezin. Moeder Gertruida herkende in haar tweede dochter de ware Maria en droeg haar man Johan op het kind als zodanig bij de burgerlijke stand aan te geven. Helaas was dat voor de ambtenaar van de burgerlijke stand geen optie en dus bedacht de vader van Mien een list. Hij noemde zijn tweede dochter Minerva en gaf haar de roepnaam Maria. Mien, die dus eigenlijk tot die tijd naar de naam Maria had geluisterd werd vanaf dat moment Mien genoemd. Hoewel Mien van meet af aan verzet bood was ze tegen de volharding van haar moeder niet opgewassen en gaf ze na een aantal weken toe. Niemand heeft het ooit geweten, maar vanaf dat moment zon zij op wraak. Haar grootste drijfveer is om voor haar dood haar plek binnen het gezin te heroveren. Haar grootste angst is om door haar omgeving niet voor vol te worden aangezien.
Het Verhaal van Mien
Mien stond in het midden van de kamer en las hardop voor.
‘Volgens de Grieken was Minerva dé personificatie van de goddelijke macht van het verstand. De godin van de vindingrijkheid van de menselijke geest.’Ze keek over de rand van haar blad.
‘De Etrusken erkenden haar als de uitvindster van al wat nuttig en aangenaam is voor het menselijk leven.’
Aan haar voeten lag haar zus op de bruine plavuizen.
‘Nuttig en aangenaam. Hoor je dat?’
Ze deed een stap opzij. De rechterhand van haar zus gleed van haar voet.
‘Nuttig en aangenaam. Ha!’
Mien zakte door haar knieën en tilde de hand van haar zus een stukje op. Er zat nog leven in.
‘Maria. Maria was de moeder van Jezus. De heilige maagd. Wereldwijd vereerd en aanbeden. De volledige onschuld. Zo had het moeten zijn.’
Ze streek het haar van haar zus aan de kant. De huid van haar linkerwang kleurde groenig.
‘Maar wat doe jij trouwens nog op? Ik dacht dat je om half elf naar bed zou gaan?’
Het linkeroog van haar zus knipperde. Vocht gleed over haar wang.
‘Dit geeft gedoe. Hoe krijg ik je nou nog in bed? En dat schuim valt op. Dat kan niet zo.’
Mien pakte het hoofd van haar zus bij de kin en poetste het schuim uit de hoekjes van haar mond. Maria duwde het puntje van haar tong naar buiten.
‘Dan denk je dat je overal aan hebt gedacht, gaat het toch nog anders.’
Ze stond op. De tuin had zijn tol geëist vandaag. Haar knieën protesteerden. Voorover gebogen wreef ze over haar bovenbenen. Altijd naast de pijn wrijven, dan ging het wel over. Ze richtte zich op en keek de kamer rond. Wat te doen? Haar oog viel op de blauwe bank voor de televisie. Er lag een geruite deken over de leuning. Dat zou wel gaan. Voorzichtig schoof ze haar handen onder de oksels van haar zus en trok haar richting de zithoek.
De volgende ochtend stond Mien vroeg naast haar bed. Ondanks alles had ze best geslapen. Ze schoof de gordijnen zachtjes aan de kant. De zon piepte door de coniferen. Tevreden keek Mien naar haar werk. Het was juni en de tuin stond in bloei.
‘Maar eens kijken hoe het hier naast is,’ riep ze door de kamer.
Ze liep naar de gang. In het voorbijgaan passeerde ze haar kaptafel. Haar peignoir danste langs de benen van haar spiegelbeeld. Geel stond haar goed. Misschien zou ze vandaag de blouse met de Kaketoes aandoen.