15 december, 2009

Opa Frans en Angelique

Mijn cursus Proza aan de Schrijversvakschool is afgelopen en bijgevoegd een van de laatste verhaaltjes die ik in het kader van een opdracht van Nicolien maakte. Het ging om een verhaal waarin het element ‘verrassing’ en/of ‘voorsprong’ verwerkt zat. Ik bedacht een verhaal over een opa en zijn minder aardige buurmeisje.

Opa Frans stond in de gang. Hij reikte met zijn hand langs de wand. Daar hing zijn sjaal. Het was koud buiten. De wind woei in onregelmatig vlagen langs het huis.
‘Laat ik mijn pet maar niet op doen,’ mompelde hij. Voetstappen in de tuin. De bel klonk en daarna draaide een sleutel in het slot.
‘Daar ben ik dan.’ Angelique keek om de hoek van de deur. Opa Frans stond klaar.
‘Daar ben je dan.’ Frans glimlachte zijn grote tanden bloot. Angelique nam ‘m bij de arm en samen stapten ze door de voordeur. ‘Het is slecht weer Opa.’
‘Ik dacht al zo iets meis.’
De sigarenboer zat om de hoek. Ze bogen zich in de wind.
‘We zijn er.’ Angelique opende de deur en liet Frans voorgaan. Binnen klonk zachte muziek.
‘Kijk eens wie we daar hebben. Opa Frans en Angelique. Gezellig!’
‘Dag Trees,’ zei Frans. Trees rook naar parfum. En een beetje haarlak in de verte. ‘Doe mij maar een pakje Mantano zonder filter, Trees.’ Frans grabbelde in zijn jas op zoek naar zijn portemonnee.
‘Zal ik je even helpen Opa?’ Angelique rekende af. Frans neuriede mee met Frans Bouwer. Naast hem stond een man. Hij ademde zwaar en kraste met een muntje over tafel.
‘Wat doet die man daar?’ fluisterde Frans. Angelique keek op. Naast Frans stond een grote donkere man. Ze kende hem niet.
‘Hij is aan het krassen Opa.’
‘Dat hoor ik meis, maar waarom?’
‘Hij heeft krasloten gekocht. Daar kun je geld mee winnen. Net als met de lotto.’
‘Krasloten? Echt waar? Zijn die duur?’ Frans reikte weer naar zijn portemonnee.
‘Nee hoor’, snerpte Trees, ‘ twee vijftig maar.’
‘Nou vooruit!’ grinnikte Frans, ’omdat het zulk slecht weer is.’ Frans voelde aan zijn lot. Er zaten negen stroeve plekjes op.
‘Let je wel op Frans? Maar drie vakjes krassen hoor!’
Opa en Angelique bogen zich over het lot. Samen krasten ze het eerste vakje open.
‘Vijftig euro,’ zei Angelique. Frans hoorde een glimlach in haar stem. ‘En nog een!’ Ze klonk blij.
‘En nu die,’ zei Frans. Hij gleed met zijn vinger naar het onderste rechter vakje. Angelique kraste het open. Verbaasd keek ze naar het derde vakje. Vijftig euro. Het stond er echt. Wat een geluk!
‘En?’ zei Frans, ‘Hebben we gewonnen?’ Angelique slikte.
‘Nee,’ zei ze,’net niet’ en ze stak het kaartje in haar zak.

23 november, 2009

Over NaNoWriMo en hoe ik in de krant kwam

Maandag 23 november 2009. Een memorabele dag. Over zeven dagen is het 30 november 2009; de laatste dag waarop alle honderdvierenzestigduizend achthonderdenvijfentwintig (164.825) NaNoWriMo-novellisten de laatste hand mogen leggen aan hun vijftigduizend woorden tellend meesterwerk-in-een-maand. Ik zal daar niet bijzitten. Hoewel ik op 1 november jl. vol goede moed en met drie duidelijke doelen voor ogen begon, heb ik onlangs zonder pardon de handdoek in de ring gegooid. Voor mij geen roman in een maand.

Ik begon aan NaNoWrimo vanwege de uitdaging van een boek-in-een-maand en om mijn innerlijke criticaster het zwijgen op te leggen. Ik dacht dat die misschien te veel te zeggen had in dat hoofd van mij en dat ik daardoor in mijn creativiteit werd belet. Niets is minder waar gebleken.Vanaf dag 1 werkte ik mij dagelijks, onder druk van de klok, richting mijn Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid (1677) woorden. Met behulp van een online wie-schrijft-die-blijft-programma lukte het mij wonderwel om een gestage stroom woord-diarree op gang te krijgen. Vorm en consistentie waren niet van belang. De hoeveelheid, dat was de graadmeter. Naar mate de dagen vorderden werd het steeds moeilijker om aan mijn ADH te komen. De initiële lichte irritatie die ik beschreef in ‘NaNoWriMo: openingday‘ veranderde langzaam in een hevig gevoel van frustratie. Uiteindelijk moest ik concluderen dat een zwartgallige staat van zijn zich van mij meester had gemaakt. Op Twitter en tijdens de Write-Ins was het duidelijk te merken. Mijn buddies hebben nog geprobeerd mij goede moed in te praten, maar het mocht niet baten. Na een paar dagen ontkenning en vermijding besloot ik dan toch echt: NaNoWriMo is niet voor mij! (En dat is niet iets om je voor te schamen…)

Ik ben een mooi-schrijver. Ik schrijf omdat ik dat leuk vind, omdat ik houd van het gevoel dat ik krijg wanneer ik iets onverwacht leuks of duisters voor mijn ogen zie opdoemen en dan in staat blijk te zijn om dat precies zo op te schrijven als ik op dat moment denk dat goed is. Dat pielen op een woord, een zin, een alinea, een hoofdstuk is waar ik een kik van krijg. Die criticaster van mij hoefde niet over de rand in het ravijn of als zand onder het kleed. Mijn criticaster had slechts liefde, aandacht en een warme omhelzing nodig. Direct na mijn besluit om niet meer aan de vijftigduizend woorden te hoeven voldoen begonnen de woorden weer te stromen en kwam mijn schrijfplezier weer terug. Het was heerlijk!

Ik schrijf niet elke dag en als ik schrijf, doe ik dat op mijn eigen tempo. Ik schrijf niet sloom en ook niet snel. Mijn tempo is eigenlijk ‘gewoon’ precies goed. Ik ga nog wel naar de Write-Ins en hoop straks ook op de Edit-ins te mogen verschijnen want de heren en dames voor wie NaNoWriMo wel iets is, hebben een stukje van mijn hart gestolen. De Nederlandse NaNo-groep is een heerlijk gekke gemeenschap van wonderlijke en eigenzinnige mensen met allerlei bijzondere twist en turns in hun hoofd en op papier. Het is dat ik niet van snel schrijven houd want anders zou ik er prima tussen passen.

Maandag 23 november 2009. ‘Een memorabele dag’ schreef ik in de eerste zin van dit blogje. Met dank aan Twitter en Werner van Looy werd vandaag mijn beste dag van de maand. Wat honderdveertig woorden toch niet allemaal kunnen betekenen. Ik heb dan wel geen recht op een NaNoWriMo ‘I am a Winner’ button op mijn website (om over de eeuwige roem en glorie maar te zwijgen), ik ben wel mooi een winnaar van de Trouw Schrijf! Wedstrijd. Haha! Hoe ik toch gekscherend in een eerder blogje schreef dat ik het zo raar vond dat mijn allereerste inzending voor een schrijfwedstrijd niet gelijk prijswinnend was. En nu sta ik toch gewoon in de krant! Het kan gek lopen in een schrijversleven. Nogmaals hierdepiephoerahoera, want ik ben er echt heel erg blij mee. Voor wie het bewijs wil zien, zie Marrije in Trouw Schrijf!. Voor wie mijn verhaal wil lezen, zie hier.

Ohja. En twee dikke kussen voor mijn zus. Vanwege het twee keer scannen ;-)

1 november, 2009

NaNoWriMo: openingday

*slaakt eerst een diepe zucht*

Mijn eerste NaNoWriMo-dag zit er op. 1732 woorden. Dat is meer dan de Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid, maar ze kwamen mij helaas niet aanwaaien. Die innerlijke criticaster is hardnekkiger dan ik dacht. Pas met behulp van het online programma ‘Write or Die‘ kreeg ik het voor elkaar om (bijna) zonder oordeel aan een stuk door te typen. Ik kan het dus wel. Graag doen is een tweede. Ik probeer nog te zoeken naar een goede vergelijking voor het gevoel dat ik kreeg terwijl ik zo ‘tegen de klippen op’ aan het schrijven was. Ik ben er nog niet helemaal uit. Woorden als ‘onwennig’, ‘onnatuurlijk’, ‘irritant’, ja zelfs ‘oneerlijk’ komen bij me op. Laat ik er maar niet te veel aandacht aan besteden.

Ik ben nog niet uitgeschreven vandaag. Dankzij mijn, nog immer sluimerende, keelontsteking kwam ik tot op heden niet toe aan mijn huiswerk voor de Schrijversvakschool. Foeifoeifoei. En dan wel aan iets anders beginnen. Mijn prioriteitenlijstje kent een nieuwe volgorde blijkbaar. De opdracht is een goed- danwel slechtnieuwsgesprek optekenen waarin de elementen ‘voorspelling’ en ‘verrassing’ allebei aanwezig zijn. Ik heb een vaag idee over een blinde opa, een kraslot en een toch niet zo lief buurmeisje. Maar eens zien of ik dat nog uit mijn vingers krijg. Het resultaat volgt hopelijk snel.

 

 

31 oktober, 2009

Op de valreep…

Na de NaNoWriMo Kick-off in Utrecht (erg gezellig!) heb ik net, op de valreep, mijn tweede inzending voor de Trouw Schrijf! wedstrijd ingestuurd. Hieperdepiep, weer een poging:-) Je kunt ‘m hier bekijken. Reacties zijn zeer welkom.

28 oktober, 2009

Goudenregen

Mien stond in het midden van de kamer en las hardop voor.
‘Volgens de Grieken was Minerva dé personificatie van de goddelijke macht van het verstand. De godin van de vindingrijkheid van de menselijke geest.’
Ze keek over de rand van haar blad.
‘De Etrusken erkenden haar als de uitvindster van al wat nuttig en aangenaam is voor het menselijk leven.’
Aan haar voeten lag haar zus op de bruine plavuizen.
‘Nuttig en aangenaam. Hoor je dat?’
Ze deed een stap opzij. De rechterhand van haar zus gleed van haar voet.
‘Nuttig en aangenaam. Ha! Dat heeft moeder nooit geweten.’
Mien zakte door haar knieën en tilde de hand van haar zus een stukje op. Er zat nog leven in.
‘Maria. Maria was de moeder van Jezus. De heilige maagd. Wereldwijd vereerd en aanbeden. Onschuld in zijn volledigheid. Zo had het moeten zijn.’
Ze streek het haar van haar zus aan de kant. De huid van haar linkerwang kleurde groenig.
‘Maar wat doe jij trouwens nog op? Ik dacht dat je om half elf naar bed zou gaan?’
Het linkeroog van haar zus knipperde. Vocht gleed over haar wang.
‘Dit geeft gedoe. Hoe krijg ik je nou nog in bed? En dat schuim valt op. Dat kan niet zo.’
Mien pakte het hoofd van haar zus bij de kin en poetste het schuim uit de hoekjes van haar mond. Maria duwde het puntje van haar tong naar buiten.
‘Dan denk je dat je overal aan hebt gedacht, gaat het toch nog anders.’
Ze stond op. De tuin had zijn tol geëist vandaag. Haar knieën protesteerden. Voorover gebogen wreef ze over haar bovenbenen. Altijd naast de pijn wrijven, dan ging het wel over. Ze richtte zich op en keek de kamer rond. Wat te doen? Haar oog viel op de blauwe bank voor de televisie. Er lag een geruite plaid over de leuning. Dat zou wel gaan. Voorzichtig schoof ze haar handen onder de oksels van haar zus en trok haar richting de zithoek.

De volgende morgen stond Mien vroeg naast haar bed. Ondanks alles had ze best geslapen. Ze schoof de gordijnen zachtjes aan de kant. De zon piepte door de coniferen. Tevreden keek Mien naar haar werk. Het was juni en de tuin stond in bloei.
‘Maar eens kijken hoe het hier naast is,’ riep ze door de kamer.
Ze liep naar de gang. In het voorbijgaan passeerde ze haar kaptafel. Haar peignoir danste langs de benen van haar spiegelbeeld. Geel stond haar goed. Misschien zou ze vandaag de blouse met de Kaketoes aandoen.
In de keuken smeerde ze twee beschuitjes. Ze hield van beschuitjes. Brood was zo zwaar op de maag. Alleen na een dag in de tuin wilde een bruine boterham haar nog wel eens smaken. Gisteren had ze ook een bruine boterham genomen nadat ze de Goudenregen had verzorgt. De overgebleven peulen lagen nog in de vensterbank. Die moest ze straks maar weggooien.

Mien liep met haar beschuitjes naar de woonkamer toen er werd gebeld.
‘Wie kan dat nu zijn?’ mompelde ze terwijl ze het bordje op het dressoir zetten. Met de rug van haar hand veegde ze langs haar mond. Kleine kruimeltjes vielen op haar blouse.
‘Met mevrouw van Astel.’ Ze tuurde naar het schermpje maar kon de cijfers niet onderscheiden.
‘Dag liefje. Wat leuk dat je belt. Gaat alles goed?’ Haar dochter. Wat fijn dat ze even belde.
‘Ik ga straks even bij hiernaast kijken en daarna wilde ik naar de markt.’ Haar mond werd droog. Misschien kwam het door de beschuitjes.
‘Wil je mee?’ Mien verslikte zich.
‘Ja, natuurlijk kan dat. Gezellig.’ Ze krulde het snoer van het toestel rond haar wijsvinger. Het topje werd rood.
‘Dat is goed. Ja. Dan zie ik je daar. Ja. Tot zo dan. Ja. Goed. Dag schat.’ Mien legde de hoorn op de haak. Halverwege het eerste kootje van haar vinger liep een donkerpaarse rand rondom.

Met haar boodschappentas om de arm trok Mien de keukendeur achter zich dicht. Het was al aangenaam buiten. Dat wordt weer een heerlijke zomer. Ze liep op het tuinhekje toe.
De seringen van haar zus bloeiden. De geur kringelde haar al vanaf het paadje tegemoet. Misschien moest ik die binnenkort maar eens overpotten. Ze stapte op het grindpad aan het einde van de naastgelegen tuin.
‘Joehoe!’
Terwijl ze op de achterdeur toeliep keek ze met een schuin oog naar het slaapkamerraam van de buurman. Het stond inderdaad open.
‘Joehoe!’ Het kon geen kwaad om duidelijk te zijn.
‘Goedemorgen zus. Goed geslapen vannacht?’ Ze liet de keukendeur op een kiertje staan en zette haar boodschappentas op het aanrecht. Ze had geen haast.
‘Ik heb heerlijk geslapen. Echt weer eens een nacht als vanouds.’
Ze haalde de ketel van het fornuis en liet hem vollopen. Een kopje thee zou wel lekker zijn nu. Ze plaatste twee kopjes op een dienblad en rommelde in de bestekbak op zoek naar de zilveren theelepeltjes. Maria had ze van moeder gekregen bij haar overlijden. Die kon ze nu eigenlijk ook wel in haar tas doen.
Het water kookte. Langzaam goot ze het uit in de kopjes. De thee kleurde het water bruin.
‘Liggen de zoetjes daar?’ Ze rommelde in een van de kastjes. Hebbes. Ze klikte twee keer en met een onhoorbaar ruisen vielen de tabletjes uiteen.
Voorzichtig tilde ze het dienblad van het aanrecht. Niet nodig om nu te morsen. Dat gaf alleen maar rommel. Ze draaide zich om en liep de keuken uit, een lichte glimlach om haar mond. Ze deed haar naam eer aan. Een doordacht plan en een vlekkeloze uitvoering.

Maria lag op haar rug op de bank. De plaid opgetrokken tot aan haar kin. Haar donkere haar hing langs haar hoofd. Ze zag er nog best goed uit. Eigenlijk niks geks te zien. Geen schuim, niks.
‘Slaapkop.’ Grinnikend zette Mien het dienblad op de salontafel. Zo meteen zou ze gaan gillen.
‘Even een slokje.’ Ze zakte achterover in de fauteuil. Hoewel ze zich geen zorgen had gemaakt voelde ze nu toch wat spanning van zich afglijden. Het was gedaan. Van nu af aan heette ze gewoon weer Maria. Ze sloot haar ogen terwijl ze aan haar kopje nipte.
‘Joehoe!’ De stem van haar dochter schalde door de gang.
‘Ma? Ik dacht, ik kom je hier gewoon ophalen. Net zo makkelijk.’

28 oktober, 2009

Op naar 1 november:-)

Gisteren mijn eerste NaNoWriMo meeting in Dwaze Zaken (Amsterdam). Het was verrassend gezellig. Drie uur kletsen over schrijven, personages, genres, wordcounts, plots en beloningssnoepjes. Dat wordt nog wat vanaf volgende week. Het is wel de bedoeling dat we ook echt gaan schrijven op de dinsdagen van november :-)

Bij thuiskomst rolde er zomaar ineens een eerste versie van mijn tweede inzending voor de Trouw Schrijf! wedstrijd uit. Over een doktersassistente met een probleem. Het verhaaltje van 500 woorden ligt nu in de mailbox van mijn zus ter beoordeling. Ben benieuwd wat ze d’r van vindt.

In een volgend postje het verhaal van Mien’s wraak tot nu toe zoals beloofd. Have fun en reacties zijn welkom:-)

25 oktober, 2009

In aanloop naar de derde les…

In mijn vorige postje beloofde ik om het commentaar van mijn klasgenoten en de juf op mijn eerste huiswerkje hier te vermelden. Het is al even geleden en nu pas kom ik daar aan toe. Er heeft nogal wat plaatsgevonden in de tussentijd.

De plot werd goed ontvangen. ‘Mooi gegeven’ stond er op het blaadje dat ik terug kreeg van Nicolien. Echter. De uitwerking kon beter. Wat was het geval? Voor sommigen was de hoofdpersoon onduidelijk. Was dat Gerard of was dat Yoruba? En wat wilde ik eigenlijk beweren met mijn verhaal? Wat was de premisse? Hoewel het in mijn hoofd best duidelijk was bleek dat niet voor iedereen te gelden. Ook de stijlovergang midden in de tekst van ‘zakelijk’ naar ‘anders’ was een opvallend gegeven voor de klas zonder dat de bedoeling ervan duidelijk werd. Back to the drawingboard dus maar.

We kregen een nieuwe opdracht en die heb ik inmiddels naar iedereen heb opgestuurd. Het ging om een uitgebreide personagebeschrijving en de eerste pagina van een verhaal over het beschreven personage. Onderstaand het resultaat. Ik heb geprobeerd de aanwijzingen uit de vorige les te verwerken en ben daarom benieuwd welke feedback ik morgen ga krijgen. Spannend! Stiekem heb ik al verder geschreven aan het verhaal. Het vervolg zal ik hier dinsdag vermelden.

Personagebeschrijving Mien van Astel-Appelman

Mien is 68 jaar en 1 meter 64 lang. Ze is een stevige vrouw, met flinke rondingen. Haar postuur is ondanks haar gewicht redelijk in verhouding, alleen haar heupen zijn iets breder dan haar borsten. Mien draagt meestal een nette donkere pantalon met daarop een gekleurde blouse met korte mouwen. Liefst met een bloem- of vogelmotief. Als het wat kouder is draagt ze daar een warm vest op. Mien vindt het prettig wanneer haar sokken kleuren bij haar blouse en haar vest kleurt bij haar pantalon. Het afstemmen van haar kleding geeft haar een aangenaam gevoel. Dat had ze als kind al. Mien heeft kort peper-en-zout kleurig krullend haar. Die krullen zet ze er elke week, op vrijdag, met de rollers zelf in. Mien heeft ondanks haar leeftijd weinig fysieke ongemakken. Ze heeft een stevig gestel en een goede gezondheid. Als ze lange tijd achter elkaar in de tuin werkt krijgt ze last van haar rug en haar knieën. Haar polsen en vingers worden wat stram en gevoelig wanneer de temperatuur daalt. Mien heeft een trotse houding. Ze staat en zit meestal keurig rechtop en kijkt dan met een dwingende blik de wereld in.

Mien is weduwe van Piet, die tot aan zijn pre-pensioen postbode was. Mien heeft nooit gewerkt dus van haar pensionering was geen sprake. Ze deed het huishouden en zorgde voor de kinderen (twee zonen en een dochter) maar heeft dat nooit als werk gezien. Toen Piet, zes jaar geleden overleed, nam haar leven een onverwachte wending. Ze had nooit stil gestaan bij de mogelijkheid alleen achter te blijven dus het plotse verlies van Piet heeft haar lange tijd verlamd. Tot ze op een dag besloot dat ze genoeg had getreurd. Ze verkocht het huis en verhuisde naar Zoetermeer om daar naast haar zus te gaan wonen. Mien heeft een paar hobby’s; ze vult haar tijd met tuinieren, puzzelen, haken en het verzamelen van porseleinen beeldjes. Ze heeft twee goede vriendinnen. Haar kinderen ziet zij minder dan ze zou willen. Vooral de jongens zijn erg met zichzelf bezig. Haar dochter belt haar wel geregeld.

Mien heet eigenlijk helemaal geen Mien. Ze werd geboren als Maria Hendrika van Astel, maar de geboorte van haar zus veroorzaakte een aardverschuiving in het gezin. Moeder Gertruida herkende in haar tweede dochter de ware Maria en droeg haar man Johan op het kind als zodanig bij de burgerlijke stand aan te geven. Helaas was dat voor de ambtenaar van de burgerlijke stand geen optie en dus bedacht de vader van Mien een list. Hij noemde zijn tweede dochter Minerva en gaf haar de roepnaam Maria. Mien, die dus eigenlijk tot die tijd naar de naam Maria had geluisterd werd vanaf dat moment Mien genoemd. Hoewel Mien van meet af aan verzet bood was ze tegen de volharding van haar moeder niet opgewassen en gaf ze na een aantal weken toe. Niemand heeft het ooit geweten, maar vanaf dat moment zon zij op wraak. Haar grootste drijfveer is om voor haar dood haar plek binnen het gezin te heroveren. Haar grootste angst is om door haar omgeving niet voor vol te worden aangezien.

Het Verhaal van Mien

Mien stond in het midden van de kamer en las hardop voor.
‘Volgens de Grieken was Minerva dé personificatie van de goddelijke macht van het verstand. De godin van de vindingrijkheid van de menselijke geest.’Ze keek over de rand van haar blad.
‘De Etrusken erkenden haar als de uitvindster van al wat nuttig en aangenaam is voor het menselijk leven.’
Aan haar voeten lag haar zus op de bruine plavuizen.
‘Nuttig en aangenaam. Hoor je dat?’
Ze deed een stap opzij. De rechterhand van haar zus gleed van haar voet.
‘Nuttig en aangenaam. Ha!’
Mien zakte door haar knieën en tilde de hand van haar zus een stukje op. Er zat nog leven in.
‘Maria. Maria was de moeder van Jezus. De heilige maagd. Wereldwijd vereerd en aanbeden. De volledige onschuld. Zo had het moeten zijn.’
Ze streek het haar van haar zus aan de kant. De huid van haar linkerwang kleurde groenig.
‘Maar wat doe jij trouwens nog op? Ik dacht dat je om half elf naar bed zou gaan?’
Het linkeroog van haar zus knipperde. Vocht gleed over haar wang.
‘Dit geeft gedoe. Hoe krijg ik je nou nog in bed? En dat schuim valt op. Dat kan niet zo.’
Mien pakte het hoofd van haar zus bij de kin en poetste het schuim uit de hoekjes van haar mond. Maria duwde het puntje van haar tong naar buiten.
‘Dan denk je dat je overal aan hebt gedacht, gaat het toch nog anders.’
Ze stond op. De tuin had zijn tol geëist vandaag. Haar knieën protesteerden. Voorover gebogen wreef ze over haar bovenbenen. Altijd naast de pijn wrijven, dan ging het wel over. Ze richtte zich op en keek de kamer rond. Wat te doen? Haar oog viel op de blauwe bank voor de televisie. Er lag een geruite deken over de leuning. Dat zou wel gaan. Voorzichtig schoof ze haar handen onder de oksels van haar zus en trok haar richting de zithoek.

De volgende ochtend stond Mien vroeg naast haar bed. Ondanks alles had ze best geslapen. Ze schoof de gordijnen zachtjes aan de kant. De zon piepte door de coniferen. Tevreden keek Mien naar haar werk. Het was juni en de tuin stond in bloei.
‘Maar eens kijken hoe het hier naast is,’ riep ze door de kamer.
Ze liep naar de gang. In het voorbijgaan passeerde ze haar kaptafel. Haar peignoir danste langs de benen van haar spiegelbeeld. Geel stond haar goed. Misschien zou ze vandaag de blouse met de Kaketoes aandoen.

8 oktober, 2009

Huiswerk getiteld ‘Schaakmat’

Afgelopen maandag gaf Nicolien haar schrijfklasje voor het eerst huiswerk op. Voor zaterdag aanstaande 12.00 uur een plotje op papier naar aanleiding van een artikel in de krant. En vervolgens een aanzet tot het verhaal. Ik ben niet zo’n streber en toch heb ik het al af. Misschien heb ik gewoon ‘per toeval’ een inspiratoire* artikel gevonden. In ieder geval, onderstaand eerst het plot (dus de afloop geef ik nu bij wijze van uitzondering al weg) en daarna de eerste regels tekst. Het commentaar van mijn klasgenoten zet ik er volgende week bij.

*Als dat nog niet in Van Dale staat dan nu graag…

Plot: Een man wordt, zonder besef van identiteit, voor de poli van een ziekenhuis aangetroffen. Hij spreekt Engels en Yoruba, een taal die in Nigeria gesproken wordt. Na anderhalf jaar ter observatie kan Yoruba, zo wordt de man inmiddels genoemd, zich nog steeds niet herinneren wie hij is en waar hij vandaan komt. Hij leeft enkel met zijn herinneringen aan de laatste achttien maanden. Tot hij op een dag, onder een schaakpartij met Gerard, een nieuwe vriend, zijn familie weer voor zich ziet. In de weken daarna komt alles terug. Hij besluit, uit angst voor het verlies van zijn nieuwe leven, niemand iets te vertellen. Tot hij zich verspreekt. Gerard bemerkt zijn bedrog en is geschokt, maar besluit na het horen van zijn levensverhaal ook te zwijgen.

Schaakmat
Zonder papieren of besef van identiteit staat op 14 maart 2008 een man in zijn pyjama onder de lantaarnpaal voor de poli van het VU Medisch Centrum. Gerard, een co-assistent Neonatologie, passeert hem voor zijn avonddienst en merkt hem op. De man blijkt, na uitvoerig onderzoek, naast wat schrammen en builen een longontsteking te hebben.
Negen weken verder, zijn longen schoon maar zijn identiteit nog steeds niet opgehelderd, besluit de directie van het ziekenhuis hem ter observatie te houden. Hij wordt Yoruba genoemd, naar de taal die hij sprak bij aankomst in het ziekenhuis.
Anderhalf jaar later zijn Gerard en Yoruba vrienden geworden. Na elke dienst loopt Gerard even over de vierde verdieping voor een kop thee en het verzetten van een van zijn stukken. Gerard en Yoruba schaken met elkaar.
Op een dag, Gerard is net aangeschoven, wil Yoruba een van zijn torens verschuiven. Wanneer hij met de toppen van zijn vingers de toren raakt komt in een flits een herinnering bij hem terug. Hij ziet zijn moeder, zijn broer, het huis en de weg terwijl hij over de schouders van zijn vader kijkt.
Yoruba schrikt en zijn toren valt om.
‘Wat ben je van plan?’
Gerard kijkt hem lachend aan.
‘Geen grapjes nu hè.’
Yoruba kijk naar zijn uitgestoken hand. Die trilt. Snel trekt hij ‘m terug. Weer is daar die weg. Rode aarde stuift op, wind waait, metaal op metaal.

7 oktober, 2009

De dame in het groen – Deel 3

Deel 1 staat hier en deel 2 vind je hier

De eerste keer dat ik mijn dood ontmoette was net na het overlijden van mijn oma. Ik was zeven jaar en werd geliefd door mijn wonderlijke ouders die mij, ondanks mijn jonge leeftijd, betrokken bij mijn oma’s laatste weken in het sterfhuis. 23 dagen achtereen stapte ik na school uit onze volvo station om op een drafje via de serredeur naast mijn oma plaats te kunnen nemen. Samen keken we naar het verstrijken van de tijd in de tuin van het hospice. Het was begin december en op sommige dagen lag er natte sneeuw die binnen een uur smolt in het schijnsel van de buitenlampen. Midden in de tuin stond een magnolia. Een trotse boom volgens mijn oma.

Op een dag, het bleek haar laatste te zijn, besloot mijn oma zich niet meer uit haar bed te werken. Mijn moeder, die elke ochtend om zeven uur richting het hospice fietste, vatte dit op als een teken en belde daarom met mijn vader, die zich op dat moment klaar maakte voor onze rit naar school.
‘Je moeder denkt dat je oma ons vandaag gaat verlaten’, zei mijn vader terwijl hij mij mijn wanten aangaf.
Zoals ik een zoon ben van mijn moeder en zij een dochter van mijn oma wist ik dat het waar was.

Toen ik de kamer van mijn oma binnenkwam sloeg ze haar ogen op.
‘Dag lieve.’
Ze reikte naar m’n hand, trok me naar zich toe en kuste me vol op mijn mond.
‘Dag oma.’
Ik installeerde mij met een aantal Story’s in de stoel bij het hoofdeinde van haar bed en voor ik het wist viel ze in slaap. Mijn vader en moeder verdwenen op de gang terwijl ik zachtjes voorlas. De uren gleden voorbij. Ik verhaalde over Marco Borsato en zijn eerstgeboren zoon, het afscheid van de Zangeres zonder Naam en alle gedoe rondom Bill en Monica zonder te begrijpen waar het precies over ging.

Tegen de avond werd het drukker op de kamer. Ik kreeg een bord soep en twee boterhammen met kaas die ik in mijn stoel opat. Mijn vader zat aan tafel, mijn moeder aan de andere kant van het bed. Onze lepels tikten tegen het aardewerk. Ik slobberde de soep naar binnen.
‘We eten kippensoep oma. Lekker. Veel vermicelli.’
Ze werd niet wakker.

Tegen tienen sufte ik in slaap. Mijn moeder zag het en gaf me de keus tussen een bed of gaan douchen. Met tegenzin stond ik op, kuste mijn oma op haar rimpelige lauwe voorhoofd en liep mijn vader achterna naar de badkamer op de tweede verdieping.

We douchten in stilte. Toen ik mijn handdoek over de verwarming hing wist ik dat mijn oma gestorven was. Met twee treden tegelijk rende ik de trap af. Onderaan stond mijn moeder ons op te wachten. Ze nam me in haar armen en tilde me op. Haar warme adem wasemde in mijn hals, ze schokte.
‘Oma is dood’
En op dat moment zag ik mijn dood voor het eerst. Ze stond verscholen achter een grote kamerplant in de hal van het hospice. Ze droeg een groene jurk en een zwarte tas.

5 oktober, 2009

‘De Boekencollectie’ in beeld

De Boekencollectie in beeld

Om mezelf een eindje op weg te helpen richting die vijftigduizend woorden die ik aan het einde van november op mijn NaNoWriMo chart wil hebben staan ben ik vast begonnen met wat intuïtief post-it onderzoek. Ook al een aantal plot lijnen op papier gezet. Niet te verwarren met Plot Bunnies.

Ik leer een hoop de laatste dagen…